Een reis van reden, geloof en waarheid

Een pad van onderzoek van A tot Z

Een logische, stapsgewijze routekaart om islamitische leer met rede, helderheid en doel te benaderen.

Oorsprong

Het hiernamaals en het leven na de dood: een filosofische studie over de onsterfelijkheid van de ziel en de fasen van de terugkeer

Kort gezegd

De mens eindigt niet met het uiteenvallen van het lichaam; het voortbestaan van het bewuste zelf, zijn neiging naar de onsterfelijkheid en de noodzaak van de gerechtigheid en de wijsheid wijzen alle rationeel op een ander leven na de dood.

Ingang: de aard van de scheiding en het doel van het onderzoek

De dood vertegenwoordigt de meest onvermijdelijke fysieke werkelijkheid in het kosmische toneel, want elk materieel samenstel is voorbestemd om uiteen te vallen en te ontbinden. En toch draagt de mens een innerlijke neiging naar de onsterfelijkheid in zich, en een absolute weigering van de vernietigende ondergang. Vandaar dat de rede de grootste filosofische vraag stelt: eindigt het menselijke bestaan met het verstrooien van het lichaam? Of is er een ander leven na de dood?

En hier moet uitdrukkelijk worden opgemerkt dat het hoogste doel van dit onderzoek de rationele bewijsvoering en de aantoning is van “de onvermijdelijkheid van het intreden van het hiernamaals en het beginsel van het leven na de dood”; het doel is hier niet het aangaan van gedetailleerde discussies over het “hoe” van dit leven, of over de wezenlijkheid van de ziel, of over het langdurige filosofische debat over de vraag of het hiernamaals lichamelijk, geestelijk of materieel is. Deze hoedanigheden en mechanismen vallen buiten de horizon van de primaire bewijsvoering, en wat ons op deze plaats aangaat, is het aantonen van “het beginsel van de verwezenlijking en het bestaan” na de dood.

Ook willen we opmerken dat het doel van dit artikel en van de website als geheel is deze waarheden te belichten en ze op een vereenvoudigde en toegankelijke wijze te presenteren die past bij het algemene begrip; en wie uitweiding en uitgebreide intellectuele verdieping in deze kwesties wenst, kan de gespecialiseerde en diepgaande filosofische boeken en bronnen op dit gebied raadplegen.

En aangezien dit onderzoek er in wezen op berust dat de mens een abstracte, immateriële dimensie draagt, verwijzen we ernaar dat het gedetailleerde onderzoek naar het aantonen van de werkelijkheid van de geest en de abstractie is behandeld in een afzonderlijk onderwerp dat in dezelfde afdeling geraadpleegd kan worden, onder de titel: De indelingen van het bestaan: het materiële en het immateriële. En voortbouwend op die grondslag verloopt dit onderzoek langs een rechtstreekse bewijskrachtige lijn die zich volledig richt op de filosofen en denkers die het beginsel van het hiernamaals en de onvermijdelijkheid van de onsterfelijkheid rationeel hebben aangetoond.


1. De bewijzen die berusten op de structuur van de ziel en de aard van het bewustzijn

Deze groep bewijzen richt zich op het van binnenuit ontleden van het wezen van de mens, om aan te tonen dat het “bewuste zelf” wezenlijk verschilt van het materiële lichaam en bijgevolg het lichaam niet volgt in zijn lot bij de dood.

1. Het bewijs uit de enkelvoudigheid en de onmogelijkheid van het niets (Plato, ca. 427–347 v.Chr.)

  • De vereenvoudigde uitleg: dit bewijs berust op het begrijpen van de reden van het vergaan van de dingen in onze wereld; de materiële dingen, zoals het hout, de glazen beker of de cellen van het lichaam, vergaan en ontbinden omdat ze uit delen en elementen “samengesteld” zijn, en de dood is in werkelijkheid geen verdwijning van het bestaan, maar het uiteenvallen van die delen en hun terugkeer naar hun eerste elementen.

  • De logische gevolgtrekking: daarentegen is met een bewijs aangetoond dat de ziel of het bewuste zelf een enkelvoudige substantie (Simplicity) is, dat wil zeggen één samenhangende eenheid die geen dimensies heeft en zich niet deelt. En aangezien het enkelvoudige geen delen heeft, is het er logisch onmogelijk voor uiteen te vallen en te ontbinden. En wat de ontbinding niet toelaat, wordt niet door de fysieke dood bereikt, wat de onvermijdelijke voortduring van de ziel betekent, levend en aanhoudend, na het instorten van het lichaam.

2. Het bewijs uit de zelfstandigheid van het zelf en zijn zelfgenoegzaamheid ten aanzien van het werktuig (Ibn Sina, 370–428 n.H. / 980–1037 n.Chr.)

  • De vereenvoudigde uitleg: dit bewijs kijkt naar de band die de ziel met het lichaam verbindt; het maakt immers duidelijk dat het lichaam geen plaats is waarin de ziel woont en zich oplost, maar louter een “werktuig” of een fysiek instrument dat de ziel gebruikt om de materiële wereld waar te nemen, zoals het oog voor het zien, de hand voor het aanraken en het brein voor het vertalen van de signalen.

  • De logische gevolgtrekking: het vergaan of het uitvallen van het werktuig door de dood betekent nooit het vergaan van de gebruiker; als de bril breekt, gaat het gezichtsvermogen niet verloren, en als de spiegel breekt, gaat het licht dat erin werd weerkaatst niet verloren. En aangezien het menselijke “ik” vast en zelfstandig is in zijn begrijpen en zijn bewustzijn, is het in zijn wezenlijke bestaan zelfgenoegzaam ten aanzien van de materie, en de rede oordeelt tot zijn voortduring, levend en aanwezig, na het uitvallen van het fysieke lichaam en het afbreken van zijn band ermee.

3. Het bewijs uit “het zelfbewustzijn tegenover de vergane materie” (Joseph Butler, 1692–1752 n.Chr.)

  • De vereenvoudigde uitleg: de Engelse filosoof vertrekt vanuit de empirische waarneming van de veranderingen van het lichaam tijdens het leven; de cellen van het lichaam van de mens worden in de loop der jaren volledig vervangen, of hij kan door ongevallen ledematen en organen van zijn lichaam verliezen, en toch blijft zijn bewustzijn van zijn zelf, zijn persoonlijkheid en zijn identiteit volledig vast, en er wordt niets van verminderd.

  • De logische gevolgtrekking: de rede oordeelt dat de fysieke dood een loutere vernietiging en ontbinding van het materiële lichaam is, dat als een gewaad of een veranderlijke buitenschil is, en dat er geen enkel rationeel of empirisch bewijs is dat aantoont dat de vernietiging van deze buitenbekleding de vernietiging van het zelfstandige “bewuste zelf” daarbinnen met zich meebrengt. Bijgevolg is het logische uitgangspunt de voortduring van het bewustzijn na de scheiding van deze bekleding.

4. Het bewijs uit “de existentiële ruimte van de ziel” en het overstijgen van de plaats (Qadi Sa’id al-Qummi, 1049–1107 n.H. / 1639–1696 n.Chr.)

  • De vereenvoudigde uitleg: het berust op een tastbare vergelijking tussen de nauwheid van de materie en de ruimte van het denken; de materie is van nature nauw en begrensd, en het materiële lichaam kan niet op twee plaatsen tegelijk zijn, noch kan het een ander lichaam dat even groot is opnemen zonder verdringing.

  • De logische gevolgtrekking: daarentegen bevinden we dat de menselijke ziel in staat is miljoenen beelden, kennissen, herinneringen en uitgestrekte kosmische ideeën op te nemen en te beoordelen zonder er benauwd of vol van te raken; naarmate haar kennissen toenemen, verruimt de ziel zich juist en vraagt om meer. Deze onbegrensde ruimte, waartoe de materiële wereld volstrekt niet in staat is, bewijst dat de menselijke ziel in de structuur zelf van haar wezen voorbereid is op een weidse en oneindige existentiële ontstaanswijze die volgt op de fase van de nauwe fysieke dood.


2. De bewijzen die berusten op de aangeboren aanleg, de menselijke neiging en de absolute waarheden

Deze groep bewijzen gaat over naar het onderzoeken van de innerlijke motor van de mens en zijn verhouding tot de vaste waarheden die zijn verstand waarneemt, om aan te tonen dat ons wezen op voorhand is ontworpen en voorbereid voor een wereld achter deze materiële wereld.

1. Het bewijs uit “de neiging naar de onsterfelijkheid” en de onmogelijkheid van de zinloosheid (Abu Nasr al-Farabi, 260–339 n.H. / 872–950 n.Chr.)

  • De vereenvoudigde uitleg: al-Farabi merkt op dat elk levend wezen in de natuur een instinct bezit dat past bij de behoeften van zijn rechtstreekse materiële overleving. Maar de mens is de enige onder de overige wezens die “een eigen neiging en een absoluut verlangen naar de eeuwige onsterfelijkheid” bezit; het is een gemoedsverlangen dat niet bedaart en niet verdwijnt, zelfs niet als de mens alle vergankelijke materiële genietingen van deze wereld zou bezitten.

  • De logische gevolgtrekking: in de rationele en existentiële wetten is er geen werkelijk instinct of werkelijke behoefte die in het wezen geworteld is zonder het bestaan van een objectieve werkelijkheid die haar extern vervult; het bestaan van de honger is een sluitend bewijs voor het bestaan van het voedsel, en het bestaan van de dorst is een bewijs voor het bestaan van het water. En aangezien de neiging naar de onsterfelijkheid een werkelijkheid is die in de menselijke ziel geworteld is, en het onmogelijk is haar in deze vergankelijke materiële wereld te verwezenlijken, oordeelt de rede tot de noodzaak van het bestaan van “een andere ontstaanswijze”, blijvend, die deze neiging vervult, want anders zou dit aangeboren verlangen een nietige zinloosheid zijn, en de zinloosheid is onmogelijk in de wonderbaarlijke en nauwkeurige orde van de kosmos.

2. Het bewijs uit “de aangeboren aanleg en de gedeelde hoop” (Socrates, 470–399 v.Chr.)

  • De vereenvoudigde uitleg: Socrates vertrekt vanuit de waarneming van een algemeen en omvattend menselijk verschijnsel dat tijd en plaats overstijgt; hij meent dat de mensen door de geschiedenis heen, met hun verschillende culturen, religies en landen, een aangeboren geloof hebben in het bestaan van een leven na de dood, en dat blijkt duidelijk uit de begrafenisrituelen, de eerbied voor het lot van de doden en de hoop op de hereniging na het heengaan.

  • De logische gevolgtrekking: de rede oordeelt dat deze omvattende en diepe aangeboren overeenstemming onder de mensen over een onzichtbare werkelijkheid, ondanks dat zij haar niet met de zintuigen zien, geen loutere inbeelding of een vluchtig collectief toeval kan zijn, maar de stem is van de eerste menselijke aangeboren aanleg en van het innerlijke bewustzijn dat zijn hechte band voelt met een andere, blijvende wereld die niet door het vergaan wordt bereikt.

3. Het bewijs uit “de eeuwige waarheden” (Moses Mendelssohn, 1729–1786 n.Chr.)

  • De vereenvoudigde uitleg: dit verlichte bewijs richt zich op de aard van de ideeën die de geest draagt; de mens is immers in staat de “absolute algemene waarheden” te begrijpen, zoals de wiskundige wetten, de regels van de logica en de morele begrippen zoals de gerechtigheid en het recht, en dat zijn vaste, eeuwige en altijddurende waarheden die niet veranderen met het veranderen van de fysieke tijd en plaats.

  • De logische gevolgtrekking: de logica oordeelt dat er een onmogelijkheid is in de samenhang tussen het vergankelijke en het eeuwige; een wezen dat voorbestemd is voor het louter niets en de definitieve verstrooiing kan niet het vermogen bezitten om eeuwige, onsterfelijke waarheden waar te nemen en zich ermee te verbinden. En aangezien de menselijke ziel zich met het eeuwige verbindt en het waarneemt, moet zij met logische noodzaak van zijn soort en van zijn geslacht zijn, dat wil zeggen een wezen dat blijft en voortduurt na de ontbinding van het tijdelijke lichaam.


3. De bewijzen die berusten op de wijsheid en de teleologische gerechtigheid

Deze bewijzen bestuderen het doel van het bestaan in zijn geheel, en verbinden de volmaaktheid van de Maker met de onvermijdelijkheid van het voltooien van de afrekening en de gerechtigheid.

1. Het bewijs uit de teleologie en de absolute gerechtigheid (Immanuel Kant, 1724–1804 n.Chr.)

  • De vereenvoudigde uitleg: Kant vertrekt vanuit de strenge morele filosofie; de mens neemt met zijn praktische rede de noodzaak waar van een absolute samenhang tussen “het gedrag” en “de vergelding”, dat wil zeggen dat de rechtvaardige weldoener eer en geluk ontmoet, en dat de onrechtvaardige kwaaddoener vergelding en straf ontvangt.

  • De logische gevolgtrekking: in deze begrensde materiële wereld zien we velen van de goeden onrechtvaardig behandeld en in pijn sterven, en velen van de tirannen en de bozen genietend van hun onderdrukking sterven zonder vergelding. En aangezien het onmogelijk is dat deze tegenspraak het doel van het bestaan is, oordeelt de rede tot de onvermijdelijkheid en de noodzaak van het bestaan van “een andere ontstaanswijze” waarin de volledige gerechtigheid wordt verwezenlijkt en de ziel haar volle vergelding ontvangt, want anders zou het bestaan van de wil, het geweten en de moraal een zinloze zinloosheid worden, en daar is de volmaaktheid van deze kosmos en haar verloop boven verheven.

2. Het bewijs uit “de scheppende wijsheid” en het voltooien van het doel

  • De vereenvoudigde uitleg: dit bewijs vraagt ons de fasen van de schepping van de mens met het oog van het onderzoek te overdenken; we zien immers een uitzonderlijke zorg en een wonderbaarlijke gradatie, van een druppel die niet met het oog te zien is, tot een klont en een bloedklomp, tot een volgroeid embryo, en dan tot een kind dat geleidelijk het verstand, de wil, het bewustzijn en het vermogen om uitgestrekte kennissen en wetenschappen te verwerven geschonken krijgt.

  • De logische gevolgtrekking: de rede oordeelt dat het in de logica van de wijsheid onmogelijk is dat deze uitzonderlijke, opklimmende zorg plotseling en zonder aanleiding eindigt in het stof en het louter niets zodra de hartslag stopt. Het ontkennen van het hiernamaals betekent immers het hele verhaal van de schepping veranderen in een enorm bouwwerk dat met de hoogste graden van precisie wordt opgetrokken en dan in een ogenblik zonder doel wordt afgebroken, en dat is onvermijdelijk in strijd met “de wijsheid van de Maker”; bijgevolg is het hiernamaals de onvermijdelijke laatste fase voor het voltooien van het doel van de schepping en het brengen van het menselijke bouwwerk naar zijn eeuwige verblijf.

3. Het bewijs uit “de werkzaamheid en het voortbestaan van de geestelijke energie” (Johann Goethe, 1749–1832 n.Chr.)

  • De vereenvoudigde uitleg: het richt zich op het begrip van de inspanning en de existentiële verdienste; de menselijke ziel die haar leven doorbrengt in het streven, het leren, de intellectuele voortbrenging, de morele opgang en het temmen van de begeerten, verwerft een immense existentiële kracht en werkzaamheid waarmee zij zich verheft boven de materiële stilstand.

  • De logische gevolgtrekking: de logica oordeelt dat de wijze Maker de energie van een wezen dat deze hoge rang van werkzaamheid en vervolmaking heeft bereikt niet kan verspillen; het voor altijd tenietdoen van een actieve, werkzame ziel botst immers onvermijdelijk met de rede. De dood is hier niets anders dan het ogenblik van het afstropen van de ziel van haar materiële schil, nadat zij een rang heeft bereikt die haar in staat stelt tot de onvermijdelijke overgang naar een hogere existentiële ontstaanswijze die past bij de voortzetting van haar werk en haar werkzaamheid in de wereld van de onsterfelijkheid.


De methodische uitkomst en de inleiding

Op grond van deze opeenvolgende rationele fundering komen we tot een samenhangende logische visie die beslist bepaalt dat de dood niet het punt van het niets is, maar de poort van de onvermijdelijke overgang naar een ander leven; de uiteenlopende bewijzen hebben immers aangetoond dat het menselijke bewustzijn blijft, en dat dit hiernamaals een noodzaak is die de kosmische teleologie en gerechtigheid vereisen.

En vanuit deze bewezen gedachtestappen — nadat we het bestaan van de Schepper hebben aangetoond, Zijn eigenschappen en Zijn gerechtigheid hebben leren kennen, en zeker zijn geworden dat er een ander leven na de dood is — bevinden we ons vanzelf gedreven om de diepste existentiële vraag te stellen: wat is het doel van de schepping? En wat wordt er met ons beoogd met deze schepping en dit wereldse leven? Het antwoord op deze vraag vereist van ons dat we de behoeften van deze geest tussen onze zijden onderzoeken, en hoe deze behoefte ons noodzakelijkerwijs leidt tot het begrijpen van het doel van de boodschap en de goddelijke openbaring als de gewenste routekaart en de wezenlijke gids voor het richten van de geest naar zijn menselijke volmaaktheid.

De dood is niet het punt van het niets, maar de poort van de onvermijdelijke overgang naar een ander leven waarin de wijsheid en de gerechtigheid worden voltooid.